Home Kennisbank Weerstandsthermometers 10. Zelfverwarmingsfouten

Kennisbank

10. Zelfverwarmingsfouten

Om de weerstand bij een bepaalde temperatuur te kunnen bepalen, moet de meetweerstand volgens het betreffende schakelschema worden aangesloten, d.w.z. er moet een stroom door de meetweerstand stromen. Deze stroom wekt in de meetweerstand een thermisch vermogen op dat als volgt wordt beschreven: 

Nw = I2 * Rt

Dit vermogen wordt in de meetweerstand omgezet in warmte en vervalst zodoende het meetresultaat. In DIN EN 60751 wordt beschreven dat het ingebrachte verliesvermogen = 0,1mW moet bedragen. Deze fout wordt algemeen als "zelfverwarmingscoëfficiënt" (EC) aangeduid en wordt in K / mW aangegeven.

Deze coëfficiënt bedraagt volgens de gegevens van de fabrikant, gemeten in water, bij glazen meetweerstanden tussen 0,04 en 0,4 K/ mW, bij keramische meetweerstanden tussen 0,06 en 0,21 K/ mW en bij platfilm-meetweerstanden tussen 0,1 en 0,3 K/ mW.

Deze grote spreidingen geven aan dat deze waarde sterk is verbonden met de bouwvorm van de meetweerstand. Dit betekent echter dat bij de verdere verwerking van de meetweerstanden, bv. door inbouw in meetinzetten, erop moet worden gelet dat bij de inbouw alleen materialen worden gebruikt die een zeer goede warmtekoppeling resp. warmtegeleiding waarborgen, omdat anders deze EC duidelijk stijgt.
Bij een meetinzet, bv. uitvoering conform DIN 43762, ligt deze zelfverwarmingscoëfficiënt voor enkele weerstanden tussen 0,015 en 0,038 K/ mW en voor dubbele weerstanden tussen 0,02 en 0,045 K/ mW.

Er dient in belangrijke mate op te worden gelet dat door de nog noodzakelijke beschermingsarmatuur een gemiddelde waarde wordt bereikt van ca. 0,15 K/ mW.
Door de formule:

EK= DJ/ NW (K/mW)

kan door deze om te zetten in

DJ=EK * NW ((K*mW)/ mW)

voor elke meetstroom de te verwachten, door de zelfverwarming veroorzaakte meetfouten worden berekend.