Kennisbank

9. Isolatieweerstand

De isolatieweerstand werkt als parallelle weerstand tot de meetweerstand en leidt zo tot een lagere temperatuurweergave. Bij de fabricage en toepassing van weerstandsthermometers dient altijd te worden gelet op een voldoende hoge isolatieweerstand tussen geleider en beschermende behuizing alsmede tussen de geleiders onderling. In DIN EN 60751 worden de isolatieweerstanden die in ieder geval moeten worden bereikt voorgeschreven en is als volgt: deze moeten bij kamertemperatuur (15°C tot 35°C) gemeten met gelijkstroom (10 tot 100 V) bij een relatieve luchtvochtigheid <80% tenminste 100 MOhm bedragen.

Omdat met stijgende temperatuur de isolatieweerstand afneemt, worden ook afhankelijk van de temperatuur isolatieweerstanden voorgeschreven: Deze dienen met max. 10 V gelijkstroom tussen alle geleiders en de afschermbuis te worden gemeten. De volgende minimale isolatieweerstanden moeten worden bereikt.

Toegestane maximale temperatuur in °C Minimale isolatieweerstand in MΩ
100 - 300 10
301 - 500 2
501 - 800 0,5

Table 2: Minimale isolatieweerstand

Oorzaken voor het afnemen van de isolatieweerstand zijn:

  • vocht binnen in de isolatiematerialen,
  • verdamping van geleidermaterialen,
  • geleidbaarheid van de isolatiematerialen.