Kennisbank

1. Opbouw en werking

In de industriële temperatuurmeting worden tegenwoordig hoofdzakelijk weerstandsthermometers op basis van Platina-meetweerstanden (Pt100, Pt500, Pt1000) toegepast.

Voordelen ten opzichte van traditionele sensoren bestaan vooral uit:

  • de geringe afmetingen,
  • de gesloten opbouw,
  • de korte reactietijd,
  • de hoge temperatuurbestendigheid,
  • de resistentie tegen chemische en mechanische invloeden,
  • de lange levensduur
  • grote stabiliteit.

Door de gesloten opbouw van de weerstandsthermometers is het mogelijk om deze ook zonder verdere beschermingsarmatuur te gebruiken.

Een weerstandsthermometer bestaat altijd uit de volgende componenten:

  • een op temperatuur reagerende weerstand, gewoonlijk Pt100 (andere weerstandswaarden zijn mogelijk),
  • de inwendige geleiders (aan- en afvoerdraad),
  • het isolatiemateriaal (metaal oxide poeder)
  • en de behuizing.
Ill.: Constructie van de meetweerstand

Ill.: Constructie van de meetweerstand

Het belangrijkste onderdeel is de in de sensorpunt aangebrachte temperatuurafhankelijke meetweerstand. Door deze weerstand stroomt een hulpstroom, die tussen 0,1 en 10 mA kan liggen. Deze hulpstroom dient het liefst niet de 1 mA te overschrijden om zo een eigen opwarming van de sensor door de meetstroom te voorkomen als de telkens aanwezige elektrische weerstandswaarde wordt gemeten. Daaruit kunnen wederom aan de hand van DIN EN 60751, die deze weerstanden van -200°C tot + 850 °C normaliseert, precieze conclusies worden getrokken over de omringende temperatuur van de weerstand.

Een sensor kan hoofdzakelijk uit drie verschillende meetweerstanden opgebouwd worden. Weerstanden die bij 0°C precies 100 ohm elektrische weerstand laten zien, worden aangeduid met Pt100. Weerstanden die bij 0°C 500 ohm weerstand laten zien als Pt500 en weerstanden met 1000 ohm bij 0°C als Pt1000.